14 oktober 2005
Afwijking Regionaal Structuurplan en aanpassing Leisurebeleid
Aan het Dagelijks Bestuur van het Stadsgewest Haaglanden
Postbus 66
2501 CB Den Haag
Geacht Bestuur,
De raad van de gemeente Den Haag heeft op 23 juni j.l. de 1e Partiële Herziening van het Bestemmingsplan Reigersbergen 1964 goedgekeurd. De Vereniging Vrienden van Den Haag heeft in de procedure die tot goedkeuring van dit bestemmingsplan heeft geleid in zienswijzen en inspraakteksten bezwaar gemaakt tegen de vestiging van het Nationaal Automobielmuseum op het landgoed Reigersbergen. Eveneens zijn bedenkingen geuit tegen de goedkeuring van dit bestemmingsplan bij de provincie Zuid-Holland.
De Vereniging Vrienden van Den Haag heeft ongeveer 1500 leden en stelt zich ten doel het bevorderen van de leefbaarheid van Den Haag met behoud van zijn karakteristieke waarden.
-
De locatie waarop het voorgestelde plan betrekking heeft, is onderdeel van een groter gebied, waarop geldende plannen en maatregelen van toepassing zijn die zich alle verzetten tegen de door de gemeente vastgestelde partiële herziening van het bestemmingsplan uit 1964. Naast het Streekplan Zuid-Holland West noemen wij het Structuurplan van het Stadsgewest, de aanwijzing tot beschermd stadsgezicht op grond van de Monumentenwet en de status van Belvederegebied. Bovendien valt de locatie buiten de rode contour.
Inmiddels is in het kader van het vooroverleg ex artikel 10 van het Besluit op de ruimtelijke ordening het Voorontwerp bestemmingsplan Marlot-Reigersbergen door de gemeente Den Haag in procedure gebracht. Aanleiding tot het opstellen van dit plan is het besluit van 6 september 1996 van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu, waarbij Marlot en Reigersbergen met inbegrip van de locatie voor het automobielmuseum, zijn aangewezen tot beschermd stadsgezicht. De begrenzing van dit plangebied hangt samen met de grenzen van het beschermde stadsgezicht Marlot-Reigersbergen. De locatie voor het automobielmuseum is buiten dit voorontwerp gehouden. Het had meer voor de hand gelegen om ook deze locatie in het nieuwe
voorontwerp op te nemen om een afweging in breder kader mogelijk te maken.
De 1e partiële herziening van het bestemmingsplan Marlot-Reigersbergen rukt dit relatief kleine gebied uit dit grotere verband en de gemaakte afwegingen houden geen rekening met de invloed op de omgeving van het plangebied. Voor onze vereniging is juist de cultuurhistorische betekenis van het beschermde stadsgezicht aanleiding geweest om in de verschillende fasen van het planproces bezwaar aan te tekenen tegen de vestiging van het automobielmuseum op de kwekerijlocatie. Het is ons niet duidelijk, waarom de overplaatsing van een deel van de collectie van het Nationaal Automobielmuseum van Raamsdonkveer naar de regio Haaglanden niet zou kunnen wachten tot na de afronding van de thans gestarte procedure voor een bestemmingsplan voor de wijde omgeving.
De afweging van verschillende locaties voor het museum is niet overtuigend. Een aantal van de locaties voldoet wel aan de gestelde voorwaarden. Wellicht niet geheel aan de eis van de heer Louwman tot plaatsing van het museum in een representatieve groene omgeving. Maar deze eis kan niet voortkomen uit de museale functie van de collectie. Uit museaal oogpunt kunnen heel andere eisen worden gesteld, die bovendien de exploitatiemogelijkheden van het museum zouden vergroten en die een betere inpassing in het stedelijk patroon kunnen garanderen, waardoor de economische impuls voor de stad groter zou kunnen zijn dan voor de huidige locatie wordt voorspeld. Evenmin is duidelijk, waarom de vestiging van het museum binnen de grenzen van de gemeente Den Haag zou moeten plaatsvinden. Steeds meer zal het grondgebied van het Stadsgewest Haaglanden als een relevant kader voor de stedelijke agglomeratie moeten gaan gelden. Het wordt tijd attracties als een automobielmuseum af te wegen in dit grotere kader. De vestiging van het museum biedt mogelijkheden andere locaties, zowel binnen als buiten het gemeentelijk grondgebied, op te waarderen en te verrijken. Die kansen worden onvoldoende in de overwegingen betrokken. Wij maken dan ook bezwaar tegen de aanpassing van het regionaal leisurebeleid. Vestiging van het automobielmuseum op het landgoed Reigersbergen sluit niet aan op bestaande of geplande voorzieningen op leisuregebied. Van versterking van voorzieningen voor de vrijetijdsbesteding is op de beoogde locatie geen sprake.
Bovendien is inmiddels het zoeken naar een locatie voor de Amerikaanse ambassade gestart, waarbij naar verwachting vooral zal worden gekeken naar een gebied, dat eveneens deel uitmaakt van de open groene zone in het grensgebied van Den Haag en Wassenaar. Indien de definitieve keuze in deze overgangszone mocht vallen, dan zal sprake zijn van een nieuwe aantasting van dit kwetsbare open gebied en zal de provincie opnieuw worden verzocht een wijziging van een geldend bestemmingsplan goed te keuren en het streekplan te wijzigen en zal ook het stadsgewest het Regionaal Structuurplan opnieuw moeten aanpassen.
Onze tot heden ingebrachte bezwaren zijn als volgt samen te vatten.
De landgoederenzone Den Haag-Wassenaar is met Clingendael, Oosterbeek, Oostduin en Arendsdorp en met Marlot en Reigersbergen van grote cultuurhistorische betekenis. Terecht is in de Ontwikkelingsvisie 2003 – 2012 voor Marlot en Reigersbergen afgezien van herbouw van het landhuis op Reigersbergen. Dit landhuis, dat in de jaren ’40-’45 van de vorige eeuw is geamoveerd, was op een andere locatie gelegen dan de voor het automobielmuseum gekozen plek. Op die plek was de voormalige warmoezerij van Reigersbergen gevestigd. Een aan die bestemming verwante invulling zou onze voorkeur hebben. De landgoederenzone vormt een schakel in het landschap tussen duinen, landgoederen en het meer landinwaarts gelegen veenweidegebied. De kwekerijlocatie ligt in een smal deel van de zone die al is aangetast door de bouw van een verpleeghuis en flats op het landgoed Oosterbeek.
Het voor het museum gedachte gebouw kan gezien omvang en functie nooit een vergelijking doorstaan met een landhuis uit de landgoederenzone. Het museumgebouw met een te bebouwen oppervlakte van 7000 m2 en de geslotenheid van een achter de voorgevel schuilgaande museumhal past ten enenmale niet in een landgoederenzone in verband met de massaliteit en de geslotenheid naar het omringende landschap. Een landhuis dient naar alle zijden open te zijn en via zichtlijnen een eenheid met het omringende landschap te vormen. Hoe groot de naamsbekendheid van de uitverkoren architect ook moge zijn, de eisen, die aan het gebouw moeten worden gesteld, zullen nooit op bevredigende wijze in het ontwerp kunnen worden vervuld.
Het maximum aantal bezoekers, congresgangers en bezoekers aan besloten bijeenkomsten is gesteld op 50.000, waarvan bij de berekeningen is uitgegaan. Vooralsnog wordt een aantal bezoekers van 21.000 verwacht. Uit een oogpunt van exploitatie zal het gunstig zijn het bezoekersaantal op te voeren. In Den Haag kan waarschijnlijk een breder publiek worden geïnteresseerd. Hoe kan een overschrijding van het maximaal toegestane aantal van 50.000 bezoekers per jaar worden tegengehouden? De voorwaarden uit het bestemmingsplan voorzien daar niet in. Buitenlandse automobielmusea trekken meer publiek en in het verleden heeft de collectie Louwman in bepaalde jaren ook meer dan 50.00 bezoekers getrokken.
Het museum zal ook in een aan de museumcollectie gerelateerde congresfunctie mogen voorzien. De capaciteit van de congreszaal is beperkt. Maar is het aantal congressen en bijeenkomsten, zoals door de gemeente beoogd, te garanderen? De in de bijlage van het plan opgenomen horecavergunning II voorziet overigens niet in de congresfunctie. Zie de bijlage Staat van Horeca-inrichtingen, punt 5. In het bestemmingsplan wordt de evenementen- en congresfunctie niet genoemd. In artikel 4, lid 1, wordt gesproken over een bestemming ‘voor culturele voorzieningen in de vorm van een museum en daarbij behorende ondersteunende functies, zoals kantoren en horeca, categorie II’. Derhalve zijn ons inziens op basis van het bestemmingsplan geen congressen en andere georganiseerde evenementen en bijeenkomsten toegestaan.
Het museum is slechts bereikbaar via een reeds zwaar belast wegenstelsel en goed openbaar vervoer ontbreekt. Een combinatie van een bezoek aan het museum met een bezoek aan de stad achten wij onwaarschijnlijk. De geraamde bestedingen die uit een bezoek aan de stad zouden voortkomen, achten wij schromelijk overtrokken.
Gezien de ligging ten opzichte van het openbaar vervoer en de bovenregionale functie van het museum is het museum vooral aangewezen op het vervoer over de weg.
Hoewel is voorzien in een parkeergarage voor 200 auto’s, blijft de vraag of die capaciteit op piekmomenten voldoende is. De afspraken met Duindigt zijn vaag en in het parkeren van autobussen is niet voorzien. Die bussen komen toch niet bovengronds op het museumterrein te staan?
Het commentaar van de Provinciale Planologische Commissie in een eerdere fase van de procedure is aanleiding geweest voor een nadere onderbouwing van de locatiekeuze. Wij missen nieuwe argumenten in de gegeven onderbouwing. Of moet de vergelijking met de Parkflat Marlot als zodanig worden begrepen? De Parkflat Marlot is in een andere tijd tot stand gekomen, waarin andere maatstaven werden aangelegd bij de beoordeling van een dergelijk plan. In de omschrijving wordt uitgebreid ingegaan op de relatie van de flat met de omliggende wijk en het landschap. De flat is inderdaad open naar alle kanten. In die zin gaat de vergelijking met een museumgebouw niet op. Een museale collectie vraagt om een geslotenheid van het gebouw, zeker van het expositiedeel, ter bescherming van de verzameling. Dit moet in elk ontwerp leiden tot een gebouw, dat eerder gesloten dan open is naar de
omgeving. De vergelijking gaat ook anderszins – stedenbouwkundig, architectonisch, cultuurhistorisch en ecologisch – niet op.
Het landschapsplan gaat te veel uit van het maskeren van het gebouw en niet van inpassing in het landschap. Het motief om niet over te gaan tot een invulling van de
locatie op een wijze die herinneringen oproept aan de oude warmoezerij, is van puur financiële aard. De gemeente ziet met de komst van het museum kans een financiële last af te wentelen op een particulier.
De door de gemeente aangevoerde argumenten in de inleidende paragrafen verzetten zich bij goed lezen tegen de vestiging van het museum. De kwaliteiten van het gebied worden tot in detail geroemd en de conclusie, dat het museumgebouw zich in die omgeving zal invoegen en tot een verrijking van het gebied zal leiden, komt ons zeer ongeloofwaardig voor.
Wij zijn van oordeel, dat de door ons aangevoerde bezwaren tegen de vestiging van het Nationaal Automobielmuseum op de kwekerijlocatie van het landgoed Reigersbergen door de gemeente Den Haag niet dan wel onvoldoende zijn weerlegd. Dientengevolge handhaven wij onze bezwaren tegen de 1e Partiële herziening van het bestemmingsplan Reigersbergen 1964 en maken wij eveneens bezwaar tegen de afwijkingsprocedure van het regionaal structuurplan en de aanpassing van het regionaal leisurebeleid door het Stadsgewest.
Namens het bestuur,
F.J.J. van Maarseveen,
vice-voorzitter
Door de Vereniging Vrienden van Den Haag zijn de volgende acties ondernomen in het kader van de goedkeuringsprocedure van het onderhavige bestemmingsplan:
brief aan de Haagse Gemeenteraad van 26 februari 2004;
ingesproken tijdens de vergadering van de Commissie Stedelijke Ontwikkeling, Wonen en Binnenstad op 30 maart 2005;
ingesproken tijdens de vergadering van de Commissie Stedelijke Ontwikkeling, Wonen en Binnenstad op 6 april 2005;
ingesproken tijdens de vergadering van de gemeenteraad op 7 april 2005;
brief aan de gemeenteraad van Den Haag van 9 mei 2005;
ingesproken tijdens een vergadering van de Commissie Stedelijke Ontwikkeling, Wonen en Binnenstad op 15 juni 2005;
ingesproken tijdens de vergadering van de gemeenteraad op 23 juni 2005;
brief aan de Provincie Zuid-Holland met bedenkingen tegen de goedkeuring van de 1e Partiële herziening van het Bestemmingsplan Marlot-Reigersbergen van 1 augustus 2005.
Tevens hebben wij tweemaal tijdens een vergadering van de Welstands- en Monumentencommissie onze mening over de plannen voor de bouw van het museum kenbaar gemaakt en wel op 2 februari en 16 maart 2005.
Den Haag, 14 oktober 2005