27 oktober 2009

Zienswijze Masterplan en Plan-Mer SCHEVENINGEN KUST


Aan het College van Burgemeester en Wethouders ‘s-Gravenhage
p/a Dienst Stadsbeheer, afdeling Milieu & Vergunningen
t.a.v. de heer J.H. Post
Postbus 12651
2500 DP Den Haag

Betreft: zienswijze op het Concept Masterplan en Plan-Mer SCHEVENINGEN KUST
Den Haag, 27 oktober 2009

Geacht College,
Geachte heer Post,

Graag willen de Vrienden van Den Haag hun mening geven over het Concept Masterplan Scheveningen Kust. Ook de nadien uitgekomen Plan-Mer betrekken wij bij deze zienswijze.

Zoals bekend is onze vereniging in 1973 ontstaan als reactie op toen heersende ideeën om het Kurhaus te slopen. Mede dankzij de oprichters van onze vereniging is voorkomen dat dit onzalige plan werkelijkheid is geworden. Het zal u dan ook niet verbazen dat als wij de plannen voor een toekomstig Scheveningen bezien, onze eerste interesse uitgaat naar het Kurhaus en de omgeving waarin het Kurhaus functioneert. Tot onze tevredenheid zien wij op de sfeerkaart op pagina 50 dat u het Kurhaus voor dit gedeelte van Scheveningen beeldbepalend acht. Op pagina 53 spreekt u van het Kurhausplein als een “knus plein, dat een opknapbeurt nodig heeft” en wordt het Kurhaus als een icoon aangemerkt. De opmerkingen hebben onze volledige instemming. Echter, met deze typeringen is het besluit om het gebied van het Kurhaus te bestempelen als hoogbouwcluster tot 100 meter (zie pagina 45) onbegrijpelijk. Het gaat niet aan het Kurhaus in te klemmen tussen torens van 100 meter hoog!

Het zonder omhaal van toepassing verklaren van de nota “Agenda voor de Haagse verdichting” (die op 28 mei 2009 is vastgesteld, na de samenspraakperiode!) vinden wij geen recht doen aan de uitkomst van de samenspraak. Voor zover wij weten zijn deze verdichtingsnota en de gevolgen ervan voor Scheveningen geen gespreksonderwerp geweest tijdens de samenspraakbijeenkomsten. De intentieverklaring om verdichting en hoogbouw toe te staan op deze schaal – en daarmee impliciet nu al sloop van het bestaande te overwegen - strookt zeker ook niet met het rapport van het BOB-platform ( de speciaal ingestelde gelegenheidscommissie, onder leiding van prof. Tordoir, van Bewoners, Ondernemers en Bezoekers voor een advies aan de gemeente ‘van binnen uit’). Het BOB-platform heeft zich bij aanvang tot doel gesteld voort te bouwen op de bestaande kwaliteiten van Scheveningen Bad met zo min mogelijk sloop. In het Masterplan is te lezen dat de gemeente zeer enthousiast is over de visie van het BOB. Meerdere van de 14 bouwstenen ter verbetering van het bestaande - die het BOB aandroeg - zijn overgenomen, maar deze voorstellen komen in een heel ander perspectief te staan met de dreiging van omringende hoogbouw en verdichting.

In de verdichtingsnota wordt gesproken over de noodzaak de stad te verdichten met hogere bouw in verband met de (volgens de politiek nog steeds) te verwachten bevolkingsgroei. Hoge bebouwing vraagt om extra kwaliteit van de openbare ruimte wil een dergelijk verdicht gebied leefbaar blijven, zo is de redenering. In het Masterplan voor Scheveningen draait u die redenatie om. Voor Scheveningen wordt vóór alles gestreefd naar een hoogwaardigere openbare ruimte. In dit Masterplan staat te lezen dat u dat denkt te bereiken door hoge bebouwing toe te staan. Of bedoelt u hier eigenlijk te zeggen dat u met hoogbouw de verbeteringen op straatniveau wilt bekostigen? Wij kunnen ons niet aan de indruk onttrekken dat hier oorzaak en gevolg, dan wel noodzaak en wens met elkaar worden verwisseld. Hoogbouw is een te hoge tol, die betaald zou moeten worden, om de openbare ruimte op te knappen. Het hult de schitterend voorgespiegelde toekomstbeelden voor Scheveningen Bad in een twijfelachtige schaduw.

Dit geldt ook voor het Havengebied. Want op dezelfde verdichtingskaart van pagina 45 wordt een ruime zone rond de Havens aangemerkt voor verdichting tot 50 meter hoog met incidentele hoogbouw, waarvan de maximale hoogte niet wordt aangegeven. De - bij vaststelling in 2007 - voorgenomen matiging van het aantal én de hoogte van de torens bij de havenhoofden wordt zo in één dreun teniet gedaan. De kaart geeft in wezen een vrije doorvaart naar nog meer verdichting en toch weer hogere bebouwing. Door het vastgestelde Havenplan en de verdichtingskaart op deze wijze aan elkaar te verknopen zonder enige toelichting wordt alle betrokkenen (en met name hen die hun bedenkingen hebben en hadden tegen de overspannen bebouwingsplannen; zie daarvoor ook onze brief dd. 9 september 2007) zand in de ogen gestrooid.

In het Masterplan staat te lezen dat de door veel autochtone Scheveningers geliefde karakteristieken van hun dorp en buurt (de structuur, de vorm, de hoogte, en de materialen) zullen worden gerespecteerd, ook bij nieuwbouw. Maar zelfs boven het kleinschalige Dorp en de Kompasbuurt hangt de doem van 50 meter hoge bebouwing, mocht (her- of ver-) bouw in traditionele trant niet te betalen zijn of om welke andere reden dan ook. We noemen dit een onwaardige wijze van omgaan met de uitkomsten van de samenspraak.

Het meest recente onderzoek van het Onderzoeksinstituut OTB in opdracht van de NVBC ( Vereniging voor Ontwikkelaars en Bouwondernemers) geeft aan dat een grote groep bovenmodale stedelingen (350.000 huishoudens) eigenlijk liever de stad uit wil, terwijl een veel kleinere groep van buiten de stad (slechts een derde) met hen wil ruilen. “De uitkomsten van het onderzoek laten duidelijk zien dat het compacte stadbeleid op de schop moet.” Het OTB-onderzoek naar de mogelijkheden om de consument te verleiden in de stad te blijven of te komen wonen laat zien dat met op verdichting gericht beleid het in elk geval niet gaat lukken om de hogere inkomens in de stad te houden. “Meer groen in plaats van verdichting zou de welgestelden over kunnen halen om stedeling te blijven,” zo stelt het onderzoek, dat op 14 oktober j.l. is gepresenteerd tijdens een symposium. Wij zijn van mening dat de in het Masterplan voorgestelde grootstedelijke ontwikkeling in Scheveningen niet ontkomt aan diezelfde analyse. Wil men krimp voorkomen en groei stimuleren dan is verdichting en hoogbouw niet de oplossing, zo blijkt uit dit onderzoek.

De hoofdlijnen van de visie op Scheveningen, zoals omschreven in het Masterplan zijn veelal nog niet op hun detaileffecten onderzocht. Indien nodig, zo is te lezen, kunnen de plannen bij de uitwerkingen worden aangepast aan de tijdgeest van dat moment. Wij zijn van mening dat de tijdgeest van dit moment al voldoende aanleiding geeft om het roer drastisch om te gooien in de richting van kwaliteitsverhoging van de openbare ruimte met respect voor het bestaande.

Een andere reden voor koerswijziging is het rapport van de Deltacommissie (commissie Veerman), dat aanbeveelt om de gehele Nederlandse kust in 100 jaar tijd te verbreden met 1000 meter. De
gevolgen van deze aanbeveling voor de Wereldstad aan Zee (Den Haag komt zo toch weer achter de duinen te liggen) zijn niet verwerkt in dit Masterplan. Mogelijkheden voor meer (nieuwe) natuur en meer ruimte voor horizonvriendelijke (breed)bouw zijn niet onderzocht. Bij zo’n toekomstige landaanwinst zou bijvoorbeeld de bouw van de achthoekige ‘internationale stad’ (of een deel ervan) in nieuwe duinen - een ontwerp van De Bazel verwerkt in een uitbreidingsplan voor Den Haag door Berlage in 1908 - alsnog overwogen kunnen worden. Zo’n ontwikkeling – in aangepaste vorm - zal de Haagse identiteit versterken en tevens in een deel van de gewenste groei kunnen voorzien.

Om Scheveningen een all-year-round levendigheid te geven is naast differentiatie van vermaak vooral ook verscheidenheid aan woonvormen nodig. De nu voorgestelde mix van vertier en wonen zo bot boven op elkaar is slechts interessant voor een relatief kleine groep en voor een beperkte tijdsspanne. Met een flinke toevoeging van ‘duingebonden’ woningen op Scheveningen zal een grotere groep hoge inkomens zich er definitief willen vestigen. Zo wordt het gemakkelijker meer voorzieningen naar de kust te halen en kan de badplaats op een natuurlijker wijze doorgroeien naar een completer centrum aan zee. Door nu al na te denken en besluiten te nemen over een dergelijke uitbreiding is wellicht een slimme bouwvolgorde mogelijk.

Hoewel veel aandachtspunten in de buurt van de Westduinweg aan bod komen in dit Masterplan, blijft de Westduinweg zelf relatief onderbelicht. Met zijn hoogteverschillen en bochten heeft deze weg de potentie van een laan met allure. Indien eenzelfde maatwerk zou worden toegepast als indertijd bij de metamorfose van de Vaillantlaan het geval was, kan deze belangrijke verbindingsweg een karaktervolle rol gaan spelen direct achter de Tweede Haven, een boulevard in twee lijn. Wellicht kunnen de plannen voor vervangende bebouwing van het Lindoduin zodanig worden gekneed en verbreed dat opwaardering van een groter gebied rondom en langs de Westduinweg, met passende hoogte, mogelijk wordt.

In het nieuwe licht van kustverbreding dient ook de toekomst van de Scheveningse Haven op zich en in relatie tot de omgeving te worden herzien. Het rapport van de Deltacommissie toont een andere toekomst voor de Havens dan het Masterplan. Het Masterplan reageert niet of nauwelijks op het rapport Veerman. De lange termijn visie schiet daarmee flink tekort.
De discussie over een Vierde haven met of zonder cruiseterminal heeft sowieso zijn impact op de toekomst van de Derde. Het dempen van de voormalige Norfolk haven is onverstandig zolang er geen besluit is genomen over een buitenhaven. Daarom zijn de vastgestelde uitgangspunten voor een ondergrondse parkeergarage in het te dempen deel van de Derde haven met het nieuwe dorp erbovenop om die reden alleen al toe aan herijking.

Een “nieuwe einder voor de kust” heeft ook gevolgen voor de Pier. Over 25 jaar, uitgaande van een dan bereikte kustverbreding met 250 meter, staat de huidige Pier nog met één been in zee. Hier zien wij vooral kansen voor een interessantere landschappelijke inpassing, die de verblijfskwaliteit van het unieke bouwwerk zal verbeteren. Een wandelpier boven eerst drassig duinlandschap en verderop strand en zee vergroot de diversiteit aan landschappelijke beleving. De landaanwinning inspireert om nieuwe landschappelijke concepten te verkennen. Zo is het denkbaar een zijwaartse vlonderroute aan de Pier toe te voegen naar een ‘life Panorama Mesdag anno nu’. Verlenging van de Pier met een extra arm zit al in deze visie. De lengte ervan zal zodanig moeten zijn dat ook in 2035 de uitwaaipier zich nog boven zee bevindt. De Pier als dwarsverbinding op de kust legt contact tussen bezoeker en nieuwe natuur. Dit lijkt ons op de lange termijn interessanter en duurzamer dan de nu voorgestelde ‘Pier van Vertier’. Maar wellicht sluit het een het ander niet uit.

Verder merken wij op dat zowel in het Masterplan als in de Plan-Mer de verkeersproblematiek erg licht opvatten. Steeds hebben wij ons op het standpunt gesteld - en velen met ons, ook nu weer - dat zonder een goed (meer visionair) verkeersplan er geen sprake van kan zijn dat wij ons zouden kunnen vinden in welk uitbreidingsplan dan ook. Het Plan-Mer geeft aan dat de robuustheid van het Masterplan nu al tegen zijn grens aan loopt daar waar het een mogelijke uitbreiding met een buitenhaven (met of zonder cruiseterminal) betreft. De nog niet meegenomen effecten van de kustverbreding versterken het beeld van een ondermaats circulatiesysteem.

CONCLUSIE
Gezien het bovenstaande maakt de Vereniging Vrienden van Den Haag ernstig bezwaar tegen dit masterplan en het Plan-Mer voor Scheveningen Kust. Aan de visie dient grotere diepgang te worden gegeven door het rapport Veerman daarbij te betrekken, de nieuwste feiten betreffende bouwen en wonen te verwerken, de uitkomsten van de samenspraak eerlijker te interpreteren en de historische karakteristieken van Stad, Bad, Dorp en Haven als geheel meer te respecteren.
Wij denken dat alleen een in deze richting verder doordachte visie op Scheveningen kan leiden tot een zeewaardig front en waardig zeefront met internationale allure voor Den Haag.

Met vriendelijk groet,

Rieks Toxopeus
(voorzitter)
Vereniging Vrienden van Den Haag


terug TERUG terug