Ons Den Haag
|
JANUARI/FEBRUARI

De Ketel-locatie ligt aan de Leidsestraatweg vlak voorbij de bocht naar Duindigt en op het landgoed Reigersbergen.Kaart: Falkplan
|
februari 2005
Verzet groeit
tegen automuseum
in kwetsbaar groengebied
Tegen de komst van een Nationaal Automobiel Museum op een terrein aan de Leidsestraatweg tussen Den Haag en Wassenaar in de nabijheid van Huis ten Bosch rijst over een breed front verzet. Hoewel het stadsbestuur onder leiding van wethouder Bruno Bruins de komst van het ‘automuseum’ naar Den Haag verwelkomt en ook instemt met de door initiatiefnemer Louwman beschikbaar te stellen locatie pal tegen het landgoed Reigersbergen aarzelt de Haagse gemeenteraad nog over instemming. Zo heeft de fractie van het CDA zich vlak voor Kerstmis uitvoerig laten informeren door Joseline de Vries-Krijger, voorzitter van de vereniging Marlot.
door Peter Riemersma
Men is er niet tegen dat een dergelijk museum in Den Haag komt en ziet het ook wel als een versterking van de toeristische factor in de regio, maar de gekozen locatie in een kwetsbaar groengebied Stuit op toenemende weerstand.
Bij een aantal tegenstanders, waaronder het bestuur van De Vrienden van Den Haag, is bovendien de ‘likken of stikken’-aanpak van de initiatiefnemer in het verkeerde keelgat geschoten. Het Nationaal Automobiel Museum zou alleen daar op de piek waar tot voor kort kwekerij Ketel was ‘de kwekerij met de olifanten’ kunnen komen en anders komt het museum helemaal niet naar Den Haag.
Zijn er geen andere locaties in de Haagse regio? Een vraag die tegenstanders met een volmondig ‘ja’ beantwoorden. De meeste zijn positief over de komst van een automuseum, maar gekant tegen juist die locatie. Als alternatieve locaties worden genoemd bijvoorbeeld de voormalige hangars van het voormalige vliegveld Ypenburg of het terrein waar het nieuwe stadion van ADO Den Haag is gesitueerd met veel parkeerruimte die in de regel maar eenmaal in de veertien dagen bij thuiswedstrijden van de eredivisieclub optimaal beschikbaar dient te zijn.
Over de kwetsbaarheid van juist de locatie Ketel aan de Leidsestraatweg heeft Gijs van Herwaarden, lid van de Vereniging Vrienden van Den Haag, een uitgesproken mening geventileerd.
In een brief aan het bestuur herinnert hij aan een eerdere poging om ter plekke de Amerikaanse School te gaan bouwen. De Haagse gemeenteraad onthield destijds goedkeuring aan het bouwplan.
De school kwam uiteindelijk in Wassenaar.
De Haagse gemeenteraad kreeg de toezegging van het toenmalige stadsbestuur dat de groene bestemming van het gebied tussen het Haagse Bos en Marlot gewaarborgd zou blijven.
Van Herwaarden meent: “De zo’n vijftien jaar geleden daarvoor aangevoerde argumenten zijn ook vandaag nog geheel valide, ja gelden zelfs a fortiori”.
Ketel-locatie is deel groenzone
Van Herwaarden zet de argumenten van toen en nu op een rij. De locatie-Ketel, waarop sinds onheuglijke tijden een warmoeziersbedrijf was gevestigd, maakt onderdeel uit van de in cultuur- en natuurhistorisch opzicht zeer waardevolle groenzone aan de noordkant van Den Haag tussen Den Haag en de in de gemeente Wassenaar aanwezige buitenplaatsenzone. Deze groenzone omvat aan de ene zijde de op Wassenaars grondgebied gelegen buitenplaatsen Clingendael en Oosterbeek alsmede de Bosjes van Zanen. Aan de andere zijde bestaat deze zone uit een doorlopend groengebied, beginnend bij de Koekamp/Malieveld en dan overgaand in het Haagse Bos, waarin het Huis ten Bosch is gelegen, Reigersbergen en Marlot. Dit smalle, doch wel langgerekte groengebied wordt slechts doorsneden door enkele (snel)wegen. Zowel uit recreatief als uit natuurwetenschappelijk/ecologisch oogpunt heeft dit gebied een hoge belevingswaarde en heeft het functie van ‘groene long’ tussen de stadsdelen Bezuidenhout en Benoordenhout.
Het was dan ook niet voor niets dat destijds een harde strijd werd gevoerd om te voorkomen dat nu juist daar de Amerikaanse school zou worden gevestigd. In de VOM-reeks 2000 nr. 4 verschenen studie over bossen, parken en plantsoenen in Den Haag wordt aan Reigersbergen een hoge cultuurhistorische waarde maar met verstoorde inrichting toegekend. In zijn ‘woord vooraf’ wijdt wethouder Bruins warme woorden aan het groen in Den Haag (Den Haag en het groen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden).
Clingendael
In de onmiddellijke omgeving van de omstreden locatie voor het Nationaal Automobiel Museum staat volgens Van Herwaarden in het bijzonder Clingendael aan steeds ernstiger wordende bedreigingen bloot. De ANWB heeft aangekondigd op termijn zijn aan de rand ervan gevestigde kantorencomplex verder te willen vergroten. De Amerikaanse Regering heeft een begerig oog laten vallen op het ernaast gelegen gebied ten behoeve van de bouw van een nieuwe ambassade. Het langs de Benoordenhoutseweg gelegen zgn. Paardenweitje is onlangs volgebouwd met luxe-appartementen en het NEBO-verpleegtehuis. Aan de Wassenaarse zijde heeft ten behoeve van de aanleg van de Noordelijke Randweg en de Verlengde Landscheidingsweg een door velen met afgrijzen gevolgde kaalslag plaatsgevonden.
In de naaste omgeving heeft derhalve de natuur al grote verliezen geleden, waarbij het wel niet zal blijven. En bezien wij de Haagse regio in een wat groter verband, dan geldt dat ook voor de regio, als wij zien welke effecten de aanleg van Vinexwijken, het Foregebied, Madestein enz. met de daarbij behorende infrastructurele voorzieningen hebben.
Van Herwaarden kan zich niet aan de indruk onttrekken dat in toenemende mate het belang ‘natuur’ het moet afleggen tegen andere belangen.
Naar zijn oordeel zou dan ook in het geval van de betrekkelijk kleine Ketel-locatie en het daarachter gelegen gebied Reigersbergen de stelling moeten luiden ‘hands off’ en het inrichtingsvoorstel voor het gebied, waarover jaren is gepraat, moeten worden afgerond.
Er is zowel sprake van een geldend gemeentelijk bestemmingsplan als van een provinciaal structuurplan. Deze plannen binden zowel de overheid als de burger en sluiten de realisering van bebouwing, welke dan ook, ter plaatse uit. Alleen al om die reden dient het standpunt van de gemeente en de provincie te zijn: verwezenlijking van een automuseum op de locatie-Ketel is in strijd met de tussen de overheid en de burger gemaakte bindende afspraken en dient dus afgewezen te worden.
Verkeerssituatie is onoverzichtelijk
Volgens Van Herwaarden is de locatie-Ketel ook ongeschikt is voor de vestiging van een automuseum vanwege de verkeerssituatie ter plaatse.
In de door de promotoren van het automuseumplan uitgegeven brochure wordt geruststellend gezegd dat rekening gehouden wordt met 20.000 bezoekers per jaar, wat maar een bescheiden toename van het verkeer op de Leidsestraatweg (enkele tientallen auto’s per uur) zou betekenen.
In eerdere berichten was sprake van minstens 50.000 bezoekers per jaar. En aangezien elk museum erop uit is het aantal bezoekers zo sterk mogelijk te laten toenemen, moet men er rekening mee houden dat dat aantal nog groter zal worden en zeker als men erin slaagt een aantrekkelijk ogende expositie van oude auto’ samen te stellen.

Een deel van de voormalige tuinderij op Reigersbergen waar het automuseum zou moeten komen. Het voormalige landhuis dat hier stond is in 1943 afgebroken.Foto: Nationaal Automobiel Museum
|
In de brochure wordt aan zowel de verkeers- als de parkeerproblematiek volgens Van Herwaarden niet serieus aandacht gegeven. En dat vind hij des te ernstiger omdat de verkeerssituatie nu al benauwd en onoverzichtelijk is. Ook om verkeerstechnische redenen zou het standpunt moeten zijn: dit kan niet.
En gesteld, dat het automuseum een succes wordt? Daar zullen de initiatiefnemers toch op uit zijn. En als er in dat geval moet worden uitgebreid (inclusief de parkeerterreinen). Wat dan? Heel Reigersbergen asfalteren? Met het oog op eventuele toekomstige ontwikkelingen van het beoogde museum zou het dus veel beter zijn te kiezen voor een locatie die wat meer armslag biedt. En geef de locatie-Ketel terug aan de natuur door het gebied in samenhang met Reigersbergen in te richten, oordeelt Van Herwaarden.
Als lid van de Vrienden van Den Haag roept Van Herwaarden het bestuur op om in zo nauw mogelijke samenwerking met andere zich betrokken voelende organisaties en instituties, zoals de AVN en de bewonersorganisaties in de wijken Mariahoeve, Benoordenhout en Wassenaar, zo krachtig mogelijk stelling te nemen tegen de plannen voor dit museum op de locatie-Ketel.
Slechts een breed front zal op politiek en bestuurders voldoende druk kunnen uitoefenen om de zaak in een andere richting om te buigen. Van Herwaardern trekt daarbij een vergelijking met de zo’n twintig jaar geleden spelende kwestie van de Hofvijvergarage, toen het ook alleen maar op die wijze lukte het plan daarvoor van tafel te krijgen.
En voorts zou het wellicht een idee zijn een ‘comité van prominenten-anti’ in het leven te roepen, bestaande uit - om de gedachten te bepalen - de voorzitter van Natuurmonumenten, dr. P. Winsemius, de voorzitter van de Raad voor het Landelijk Gebied, de heer HJ.L. Vonhoff, en wellicht ook mr. P. van Vollenhoven als voorzitter van het Nationaal Groen Fonds. Van Herwaarden:
“Een ieder zou zich kunnen laten leiden door hetgeen wijlen ZKH Prins Bernhard in zijn laatste TV-interview over het belang van het natuurbehoud heeft opgemerkt.”