Journalist Casper Postmaa, geïnteresseerd in de geschiedenis van zijn woning in het Haagse Nassaukwartier, stuit in zijn zoektocht naar vorige bewoners op de Duitser Joseph Thum. Via deze Thum en zijn echtgenote ontspint zich in ‘De dag dat de duivel naar Des Indes kwam’ een intrigerend, ongelooflijk verhaal over Hotel des Indes in oorlogstijd, over Josef Jacobs en over al degenen die in deze periode in dit verband een rol speelden, tijdens en na de oorlog.
In 1926 komt de 18-jarige Josef (‘Sepp’) Thum vanuit Dresden als volontair te werken in Hotel des Indes. Sepp trouwt in 1938 met de Joodse Irène Donáth. Als Henri Rey, de eigenaar van Hotel des Indes in 1940 met zijn gezin naar Engeland is gevlucht, komt het hotel een jaar later in handen van Sepp Thum; het is dan inmiddels, wat je noemt, een Wehrmacht Hotel.
Sepp en zijn vrouw haten de nazi’s en runnen tegelijkertijd 4 jaar lang het hotel dat dagelijks vol zit met nazi-kopstukken. Maar niet alleen Duitsers: tientallen onderduikers krijgen een plaats in het hotel: in kelders, een zolderkamertje of in de liftschacht. Hij verschaft persoonsbewijzen, regelt een stencilmachine voor illegale krantjes, deelt geld en voedsel uit aan onderduikers in de stad en waarschuwt onderduikers bij razzia’s.
Dat Sepp zijn activiteiten zo lang vol kan houden is te danken aan een andere Duitser die hem terzijde staat: Josef Jacobs, de ‘diable noir’, die als Verwalter in dienst komt van de Bataafsche Petroleum Maatschappij. Jacobs verkeert in de hoogste Duitse kringen en via hem is Thum op de hoogte van op handen zijnde razzia’s. Als Duitse Wehrmachtsoldaten het huis van Thum, waar op dat moment onderduikers zitten, willen binnenvallen, arriveert Jacobs en zet zijn auto voor de deur van het pand.
Maart 1945 gaat het fout. Zijn vrouw Irène zit een paar dagen in het Oranjehotel vast en Sepp zelf komt na beschuldiging van spionage en Jodenbegunstiging terecht in kamp Westerbork in Amersfoort. Beiden komen na een paar weken weer vrij, maar voor Thum is het verblijf een traumatische ervaring: zijn tenen verminkt en zijn handen zo verminkt dat hij zijn leven lang niet meer gewoon kan schrijven.
Twee maanden later zitten Sepp en Irène Danáth opnieuw vast: nu op last van de Nederlandse Politieke Opsporingsdienst. Pas na breed onderzoek, maar vooral dankzij tientallen steunbetuigingen komen ze vrij. Postmaa spreekt terecht van een schandalige behandeling. Na de oorlog keert Thum terug in de top van de Haagse horecawereld: hij wordt in 1953 eigenaar van het roemruchte restaurant Royal, eveneens aan het Lange Voorhout.
In de laatste alinea van het boek schrijft Postmaa over Thum: ”Geen overheid die hem herdacht, geen vorst die hem onderscheidde, maar aan het Haagse Lange Voorhout staat een monument voor hem waar je niet omheen kunt: Hotel des Indes, gastvrij voor koningen, generaals, rocksterren en onderduikers.”
‘De Dag dat de duivel naar Des Indes kwam’ is een fascinerend verslag van een zoektocht, niet enkel vanuit de bureaustoel, maar ook via reizen door Europa. Het ene verhaal rijgt zich naadloos aan het andere tientallen verhalen. Zo is bijvoorbeeld een bezoek aan museum Thyssen-Bornemesza na lezing van dit knap gecomponeerde boek nooit meer hetzelfde.
De dag dat de duivel naar Des Indes kwam, Casper Postmaa, 264 pag. €21,90. Uitg Querido facto; ISBN 978 9025 320775.